Regisseur, librettist, decorontwerper, zanger en wat al niet meer; men kan met recht zeggen dat Aad de geestelijk vader is van de nieuwste produktie van à Côté de Carré. In een interview met Pieter Renault, de bekende intendant van DAO (De Amsterdamse Opera) wordt duidelijk wat deze creatieve duizendpoot bezielt.
De naam Adam roept vele verschillende associaties op, die alle min of meer van toepassing zijn op het onderwerp van deze opera en de wijze waarop dat onderwerp in deze produktie wordt uitgewerkt. Het lijkt me eigenlijk het beste dat eenieder voor zichzelf bekijkt welke archetypische beelden de naam Adam bij hem of haar oproept. Het ervaren van opera, trouwens van welke kunstvorm dan ook, is uiteindelijk een individueel gebeuren. Teveel interpretatie op voorhand kan nooit recht doen aan die beleving.
Kunst is het zoeken van het universele in het persoonlijke en vice versa. Deze zoektocht, die geen einde kent, leidt in niet aflatende herhaling tot de confrontatie met de condition humaine in alle facetten van het menselijk bestaan. Ik zeg met nadruk: in àlle facetten; juist in de alledaagsheid vind ik de wortels en de kern van de verhalen van het menselijk leven terug. Men ziet al teveel kunstenaars die alleen de grote gebeurtenissen en emoties verbeelden; zeker in de opera is dit bij uitstek het geval. Ook ik neigde eerst die kant op, maar geleidelijk aan kwam ik tot de conclusie dat op deze wijze holheid en leegte op de loer liggen. Mede op instigatie van een goede vriend (de psycholoog Ronald Kooij (red.)) ben ik gaan herkennen dat ware diepgang zich juist op het zogenaamd oppervlakkige niveau van het alledaagse manifesteert. In Adam geef ik het publiek de kans om via eenvoudige gedeelde ervaringen de thematiek van lijden en verlossing te herkennen. Overigens zonder te vervallen in de platte gemeenschappelijkheid waarmee de massacultuur ons verveelt.
Ach, als je zoals ik je geheel eigen weg gaat, heb je de illusie van het door iedereen begrepen kunnen worden allang achter je gelaten. Narcissus, de schone jongeling uit het oude Griekenland (niet te verwarren met Aadonis trouwens) was dusdanig gefascineerd door zijn eigen weerspiegeling dat hij de wereld om zich heen vergat. Ik daarentegen zie juist in mijn reflectie de wereld in al zijn volheid. “Wie zich zelf kent kent het al” zei Gautama de Boeddha reeds. Of het nu uit puur toeval ontstaan is of toch uit een of ander predestinatieproces, ik ben één van diegenen die begiftigd zijn met de kracht van het schouwen en ik ben het aan de wereld om mij heen verplicht om mijn bescheiden steentje bij te dragen aan de ontwikkeling van het menselijk zijnsbesef. Bedenk wel dat de navel de bron van ons bestaan is.
Ik werk met contrast en vernieuwing. De creatie van een nieuwe dimensie door de interpretatie van de regie is voor mij ab-so-luut cruciaal. Vaak zie je regies waarin men geen raad weet met de muziek: de bewegingen van de zangers beelden gewoon de muziek en de zangtekst uit. Maar dat is overbodig. De muziek heeft het innerlijke drama van een opera en de psychologie van de personages al in haar zitten.“Niet acteren!” zeg ik daarom tegen mijn zangers. “Denk! Voel! Druk iets uit! Als jij dit of dat denkt of in je hart hebt, terwijl je een klank vormt, dan denkt of voelt jouw publiek dat ook!” In plaats van domweg het verhaal dubbel te vertellen, interesseert het me meer om in de regie de muziek als het ware voor te zijn: een muzikale impuls komt voort uit een gedachte, die op haar beurt begon bij de psychologie van een personage. Zo voel je telkens de muzikale motivering van de scenische handeling. Ik ben niet geïnteresseerd in het maken van statements. Ik zoek niet naar het effect maar naar de algemene geldigheid; ik noem dat ‘tot de kern van het stuk doordringen’, waarbij ik zover en zoveel abstraheer tot ‘slechts’ nog de mensen met al hun gevoelens overblijven om het publiek iets te vertellen. Wat wij tegenwoordig nog vaak als opera gepresenteerd krijgen, is enkel het cliché van een gevoel. Mij gaat het daarentegen om de waarheid.
Vanzelfsprekend. Ik beschouw Sadhu als mijn muze. Bovendien zorgt zij voor de broodnodige balans tussen het mannelijke en het vrouwelijke in het werk. Wij hanteren een stijl die geen imitatie is van die van iemand anders en waarin het muzikale volop kan resoneren. Onze aanpak doet de muziek spreken. Voor Adam hebben we in een proces van een jaar gezamenlijk onderzocht hoe we in de voorstelling schakelen van Mozart naar Glass, naar meubels en mensen op het toneel. Elk element heeft invloed op het andere. Het visuele idee beïnvloedde de muziek en vice versa. Dit is een zeldzaam en zeer bijzonder proces voor opera omdat normaliter de duur van de opera bij voorbaat vastligt. We begonnen bij het publiek in plaats van daar te eindigen. Ik vertrek altijd vanuit de vraag: “wat wil ik dat de toeschouwer ervaart?” Vervolgens ga ik bouwen, proberen, schaven en weglaten; terug naar de essentie, het persoonlijke. Ik wil in het theater zelf zo graag geraakt worden en me betrokken voelen. Ik heb heel veel moeite met voorstellingen die mij buitensluiten, waarbij het er niet toe doet dat ik er zit. Wij zijn met z’n allen samen in het theater, zoals we allemaal samen in de wereld zijn en er het mooiste van moeten maken. Die verbinding wil ik laten voelen, met de nadruk op wat ons bindt en minder op wat ons onderscheidt.’ |