lint

Voorbereidingen

Le Thoronet 2016

Een operagezelschap begint vol goede moed aan de repetities voor een nieuwe produktie, maar wordt langzaam overvallen door versplintering.

Teaser

Akte 1: Bellen - Samen

Een opera in 3 aktes over de ruimten die ons vormen en die wij vormen, geïnspireerd door ‘Sferen’, het meesterwerk van de hedendaagse filosoof Peter Sloterdijk, die zelf de aktes inleidt.
Akte I: Het operagezelschap NaastCarré voert hun nieuwste voorstelling ‘De onzigtbare hant’ op. Achter de schermen zorgt dit voor de nodige onderlinge spanningen.

Akte 2: Winden - Versplintering

De repetities voor deze nieuwe opera ‘De onzigtbare hant’ zijn in volle gang. Gaandeweg raken de muzikanten en zangers hun teksten, muziek en coherentie kwijt. Zelfs het decor is niet bestand tegen dit slopende proces.

]

Akte 3: Schuim - Verwachting

Uit het ‘niets’ komen de spelers weer bij hun positieven. Met hernieuwd enthousiasme en hervonden eendracht bouwen zij de set op om het podium gereed te maken voor de aanvang van de nieuwe voorstelling. Zou de sterzanger Julian zijn opwachting nog maken?

]

Muziek

* David Lang: Again
* Shostakovich: strijkkwartet nr 8



Peter Sloterdijk - Sferen

Het kind staat rillend op het balkon en kijkt de zeepbellen na die het uit het pijpje waarmee het zojuist bedacht is de hemel in blaast. Nu stijgt een zwerm bellen op, chaotisch en monter als een worp blauwachtige knikkers. Dan, bij een volgende poging, maakt zich trillend en vol angstig leven een grote ovale ballon van het pijpje los, die door de bries wordt meegevoerd en wegzweeft over de straat. Hij wordt gevolgd door de aandacht van het betoverde kind, dat zelf met zijn wonderbel de ruimte in zweeft, als was zijn lot een paar seconden lang met dat van het nerveuze voortbrengsel verbonden. Wanneer de bel na zijn bevende, wijde vlucht tenslotte uiteenspat, slaakt de zeepbelkunstenaar op het balkon een kreet die tegelijk teleurstelling en vreugde uitdrukt. Zolang de bel leefde was de bellenblazer buiten zichzelf geweest, als hing het voortbestaan van de bel af van het feit dat hij gehuld bleef in een meezwevende aandacht. Elk gebrek aan begeleiding, elke verslapping van het meebeleven en meehopen zou het oplichtende ding tot een voortijdige ondergang hebben veroordeeld. Maar ook al mag het, ondergedompeld in de geestdriftige waakzaamheid van zijn schepper, een wonderbaarlijke tijdspanne door de ruimte zweven, tenslotte moet het in het niets verdwijnen. Op de plek waar de bel uiteenspat, blijft de uit haar lichaam getreden ziel van de bellenblazer een ogenblik lang alleen achter, als had ze zich op een gezamenlijke expeditie begeven en halverwege haar partner verloren. Maar de melancholie duurt slechts een seconde, dan keert de spelvreugde met haar beproefde, wrede ‘voorwaarts’ weerom. Wat zijn stukgelopen verwachtingen anders dan evenzovele aanleidingen tot nieuwe pogingen? Het spel gaat onvermoeibaar verder, weer dalen de bellen uit de hoogte neer, en opnieuw assisteert de blazer zijn kunstwerken op hun vlucht door de ijle ruimte met aandachtige vreugde. Tussen zeepbel en blazer heerst een solidariteit die de rest van de wereld buitensluit. En elke keer dat een bel zich verwijdert, maakt de kleine kunstenaar zich los van zijn lichaam op het balkon om volledig bij de dingen te zijn die door hem tot leven zijn gewekt. Door de extatische aandacht is het bewustzijn van het kind als het ware aan zijn lichamelijke bron ontstegen. Terwijl uitgeademde lucht normaal gesproken spoorloos in het niets verdwijnt, krijgt de door de bellen ingesloten ademlucht hier een kortstondig tweede leven. Zo wordt de zeepbel voor haar maker tot instrument van een verrassende zielsexpansie. Bel en blazer existeren samen in een veld dat door aandachtige betrokkenheid opgespannen is. Vol geestdrift en solidair met zijn oplichtende bellen stort de experimenterende speler zich in de open ruimte en verandert het gebied tussen oog en voorwerp in een bezielde sfeer. Eén en al oog en aandacht opent het kindergezicht zich voor de ruimte vóór hem. Onmerkbaar wordt het spelende kind in het geluk van het spel een inzicht geopenbaard dat het later tijdens de moeizame uren op school weer zal verleren: dat de geest op zijn manier zelf in de ruimte is. Of kan men beter zeggen: dat datgene wat ooit geest genoemd werd al van het begin af bevleugelde ruimtegemeenschappen betekende? Voor wie eenmaal begonnen is zulke vermoedens toe te laten ligt het voor de hand in de ingeslagen richting door te vragen: als het kind zijn adem in de zeepbellen heeft geblazen, wie heeft dan zijn adem voorheen in het kind geblazen? En wat gebeurt er met hen die niemands adem zijn? Blijft alle leven dat ontstaat en zich individualiseert door een begeleidende adem omgeven?"

Terug
Flyer